
Reizend per trein en tram naar Amsterdam, verbaas ik me over de inconsistentie in onze cultuur. Terecht wijzen we op onze veiligheid. Dus dragen we voor het kortste autoritje een veiligheidsgordel. Maar in bus of tram laten we ons door elkaar schudden zonder de minste voorzorg rond heup en schouder. Door de ramen kijkend zie ik fietsen, brommers, auto’s en fatbikes kriskras langs elkaar heen scheuren. We passeren het concertgebouw waar mensen voor veel geld kaartjes kopen om te genieten van muziek. Midden in de stadse lente droom ik weg van de hectiek in de kleine en grote wereld.
Mijn eerste vogelochtendconcert. Omdat ik aan de rand van een groot bos woonde in een huis omgeven door grote tuinen duurde het ochtend vogelconcert een uur tot anderhalf uur, afhankelijk van licht en weer. Ik had als dertienjarige mijn slaapzak op het balkon uitgerold en de vogels zelf waren mijn wekker. Eerst een, twee roodborstjes gevolgd door een, twee, drie, vele merels, versterkt door een, twee, drie zanglijsters en als je geluk hebt een grote lijster. Links en rechts in het koor vallen nu de ratelende kwinkslagen in van winterkoning, vink, heggenmus, kool- en pimpelmees. Een kwartier lang davert het koor op aangename wijze als een muzikale waterval over het luisterend medewezen dat het geluk heeft klaarwakker te zijn. Ongemerkt zijn ook boomklever, boomkruiper en groenling ingevallen. Als de eerste merels alweer zijn stilgevallen merk je die andere soorten pas op. In de achterhoede volgt alweer nieuwe versterking: tjiftjaf, een enkele fitis, houtduif, Turkse tortel en een kolonie huismussen beginnen aan het slotdeel van deze imposante vogelsymfonie.
In ziedende vaart hotsebotst de tram over een knooppunt van wissels. Ik stoot tegen een stang, schrik wakker. Twee zwaar getatoeëerde mannen slaan al overstekend met de vuisten tegen elkaar terwijl een fietsende vrouw met paars haar ze slalommend ontwijkt. Ik zak weer weg in mijn lentedroom.
Begin jaren 2000 hadden Marijke en ik een stacaravan ten noorden van Aalten. Nog bij donker fietste ik op een vroege meimorgen naar het Aaltense Goor, een bosrijk en nat gebied omringd door weilanden. Met mijn fiets op de standaard aan de rand van een bospad luisterde ik ademloos naar een ochtendkoor, geopend door vijf nachtegalen, gevolgd door roodborsten, zanglijsters, merels, winterkoningen, fitissen, tjiftjaffen, bosrietzangers, vinken en geelgorzen. Toen het bos- en rietkoor afvlakte ontwaakte het weidekoor met het koninklijke gejodel van de wulp, de vloeiende trillers van de tureluur, de uitbundige roep van de grutto, de kieviten en de scholeksters. Nog later klonken de zang van spotvogel, fluiter, kleine karekiet en het eerste gekoer van de zomertortel. Half beduusd peddelde ik terug langs een weiland met foeragerende ooievaars en een boerderij met kwetterende boerenzwaluwen en huismussen. Een gedachte drong zich bij mij op en ik moest moeite doen hem niet uit te schreeuwen. “Ontwaak mensen!” dacht ik. “Ervaar allemaal hoe mooi het gratis vogelochtendconcert is!” Ik hield me stil, want ik wilde niemand opschrikken, hoe tegenstrijdig dit ook was.


