Overslaan en naar de inhoud gaan

De ongelukkige werknemer

7 februari 2026

De doorslag om te stoppen als werknemer was voor mij de invoering van de kantoortuin. Ik had dat fenomeen ook al moeten doorworstelen in de jaren ’70 en ’80. Je zit met een twintig- tot dertigtal anderen in een open werkruimte zogenaamd samen te werken. Je doet alleen veel te weinig op een gemiddelde werkdag omdat je elkaar door de kakofonie van lawaai gigantisch zit af te leiden. Dat leidinggevenden niet doorhebben dat de arbeidsproductiviteit van hun personeel keldert zodra ze de kantoortuin introduceren is raar, maar is waarschijnlijk een indicatie dat hun intelligentie wordt overschat.

Toen ik dan ook aan het begin van deze eeuw voor de tweede keer werd overrompeld door de kantoortuinhype, wist ik dat ik me zo snel mogelijk uit de voeten moest maken. En daarvóór was het zo ideaal. We werkten met zeven personen in een huis aan de bosrand. Tussen de middag maakten we een wandeling met het eigen brood in de hand en bespraken we de dingen van het werk. Laagdrempelig, niet bureaucratisch. We draaiden uitstekend, klanten en personeel waren heel tevreden. Maar de Raad van Toezicht vond de bureaukosten te hoog en er moest meer synergie komen. Dus werd er gefuseerd en zou de nieuwe afdeling verhuizen naar een grote kantoortuin op een moderne locatie.

Wat ik had gevreesd, kwam uit. Op de nieuwe locatie had niemand nog een vaste werkplek. Alle foto’s van gezinsleden op het bureau of aan de muur moesten worden verwijderd. Ook werd het zeer op prijs gesteld als elke werknemer in het kader van de nieuwe synergie dagelijks gezellig kwam lunchen in de bedrijfskantine. Iedereen werd geacht een hypermoderne smartphone met uniform abonnement te aanvaarden in het kader van de goede onderlinge communicatie. De bedrijfsinkoper had alleen één dingetje vergeten te checken: de smartphones konden alles behalve bellen naar buiten. Als ik van klanten terugkwam op het nieuwe kantoor zag ik diverse collega’s gevaarlijk hellen uit de kantoorramen om toch contact met externe klanten mogelijk te maken.

Ook de nieuwe bedrijfsuitjes werden professioneler aangepakt. Een avondje film werd als oubollig afgeserveerd. Voortaan zou de jonge generatie iets voor ons uitstippelen. Dus trokken wij massaal op outdoor in de Ardennen, leerden spelen op de tamtam – onderwijl oerkreten producerend – en werden wij geacht ons beurtelings egel, schildpad of aap te voelen. Niet zelden waren na een dergelijk bedrijfsuitje twee-punt-nul de onderlinge verhoudingen zo aangescherpt dat het pijnlijk werd. Maar dan kon er een teamcoach gaan reflecteren en spiegelen.

Nadat ik ontslag had genomen, sprak ik toevalligerwijs een oud-collega. Ze zei me dat de nieuwe afdeling de laatste tijd worstelde met het fenomeen burn-out. De manager was met een lange sabbatical, maar er zat een super-enthousiaste interim met frisse ideeën. Bij mij bemerkte ik de afwezigheid van lust om hiernaar te informeren.